Jan Maarten Voskuil – Een Zonsondergang, 24/7


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


Hoe komt een kunstenaar, geboren in de jaren zestig, tot de Concrete Kunst en wat is dat Concrete Kunst? Laat ik beginnen met het laatste. Concrete Kunst, is een vorm van kunst die alle banden heeft verbroken met de ons omringende werkelijkheid. Er zijn geen opzettelijke verwijzingen naar objecten, personen of gebeurtenissen die ons bekend zouden kunnen voorkomen. De term ‘Concrete Kunst’ ooit in 1927 gelanceerd door een groepje kunstenaars waaronder Theo van Doesburg, wil uitdrukken dat het kunstwerk als zichzelf beschouwd moet worden en niet als een illustratie, als ‘een plaatje bij een praatje’. Van Doesburg zocht een betere term dan abstractie, omdat abstractie per definitie naar de zichtbare werkelijkheid verwijst. Abstractie is een reductie en op z’n best een sublimering van de werkelijkheid.
Het concrete kunstwerk gaat alleen over zichzelf, dus ook niet over de kunstenaar. Het is niet autobiografisch en feitelijk zou het publiek niet eens hoeven weten wie het werk gemaakt heeft en of het wel als kunstwerk bedoeld is. Eigenlijk is een ‘Concreet Kunstwerk’ een paradox. Het woord kunst betekent namelijk al nabootsing en dat is nu juist wat de Concrete Kunstenaar niet wil, nabootsen. In ieder geval is er vanuit de concrete visie geen principieel onderscheid tussen bijvoorbeeld het ervaren van een zonsondergang en het kijken naar een schilderij. Bij de zonsondergang vraag je je ook niet af wie die gemaakt heeft en wat hem daarbij bewoog. Hoewel, sommigen menen er toch een godsbewijs in moeten te zien, maar dat is uiteraard de beperking van de mens en niet die van de zonsondergang. Hoe dan ook, een zonsondergang is gratis en een kunstwerk niet…
Laten we de Concrete Kunst uit puur opportunisme maar kunst blijven noemen. Als ik in de oorspronkelijke utopistische gedachtegang van epoque modernistische kunstenaars zou doorredeneren, vermoed ik dat er een wereld ontstaat waarin niet éénmaal per dag een zonsondergang plaats vind, maar er 24/7 dergelijke schoonheidservaringen plaatsvinden, dankzij de kunstenaars uiteraard.

Kunstenaars van mijn leeftijd zijn doorgaans niet zo utopisch. Ik ben geboren in 1964, dus in de jaren dat ik mijn blik zo een beetje op de wereld begon te richten, was de punk al uitgebroken, moest ik demonstreren tegen kruisraketten en verdoemde werkeloosheid en de neutronenbom de toekomst. De ‘no future’ generatie werden we wel genoemd. En wat rest kunstenaars als de wereld geen toekomst heeft?

Nou, in eerste instantie nog best het een en ander. Allereerst is er het verleden en dat is echt niet zo voor de hand liggend als het lijkt. Het verleden was namelijk decennia lang door de ‘Avant Garde’ in de ban gedaan. Het verleden, het sentiment, was volgens de modernisten burgerlijk en stond de vooruitgang in de weg, maar rond 1980 voelde het als een bevrijding om als kunstenaar niet meer vernieuwend te hoeven zijn. Kunstenaars konden vrijelijk grasduinen in het verleden en met knippen en plakken hun ‘eigen’ verhaal vertellen. Ze konden zowel werken in de nieuw beschikbare media als teruggrijpen op oude technieken als olieverf op doek. Alles kon alles mocht. Leve de vrijheid.
Als kunstenaar richtte je je op het nu en niet op de toekomst. Je kon hoogstens de wereld een spiegel voorhouden, erop wijzen dat de wereld complex is en dat wij het geheel toch nooit kunnen overzien, laat staan veranderen. Wij zijn nou eenmaal beperkte stumpers. Problematiseren, vragen op roepen, dat was het credo, zeker in de kunst. Deze relativerende, niet onsympathieke houding is typisch Post Modern.
De ‘uitvinder’ van het woord Post Modernisme, Lyotard, definieerde het Post Moderne als het ‘ongeloof in grote verhaal’. Dat grote verhaal betrof dan vooral religie en het communisme. En inderdaad, in de jaren zeventig viel men van z’n geloof, seculariseerde de wereld en liep het communisme op z’n einde. De ideologische veren werden afgeschud. Daarvoor in de plaats kwam het kapitalisme, het ik-tijdperk, het hedonisme. En als de Post Modernen ergens een hekel aan hebben dan is het wel modernistische concrete kunst. Die kinderlijke utopie van een zonsondergang 24/7.

Voor een kunstenaar lijkt het ideaal, de vrijheid, het hedonisme. Maar, altijd maar met jezelf bezig zijn, altijd alles relativeren en problematiseren gaat uiteindelijk vervelen, dat weet ik inmiddels. Het brengt misschien troost, maar het brengt je niet verder. Het brengt vooral de kunst niet verder. Er is per definitie geen stapeling van kennis. Hoewel er de afgelopen decennia, onder het mom van ‘appropriation’, eindeloos geciteerd is, het leek welhaast een verplichting, stond die andere verplichting, ‘er je eigen ding van maken’, de stapeling van kennis in de weg.
In plaats van vragen op te werpen is het misschien tijd geworden om op zoek te gaan naar antwoorden. Oplossingen te vinden. Niet bang te zijn in een bestaand idioom te werken.
Als je echt nieuwsgierig bent ga je toch wel op zoek naar nieuwe vormen, nieuwe wegen. Dat is wat concrete kunst nog steeds te bieden heeft; heldere oplossingen voor een navolgbaar probleem. En iedere oplossing roept weer nieuwe vragen op en vraagt weer om nieuwe oplossingen. En voor je het weet doe je niet meer ‘je eigen ding’, maar ben je aan het verdiepen. Concrete kunst is een vorm van waarheidsvinding, minstens zo verassend, intrigerend en veelzijdig als dat wat wij doorgaans als surrogaat van de werkelijkheid ervaren of krijgen voorgeschoteld. Het is namelijk echt.

Jan Maarten Voskuil (Arnhem, 1964), beeldend kunstenaar, studeerde af in de Algemene Letteren aan de Rijksuniversiteit Groningen en deed de tweede fase opleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem, de Ateliers Arnhem. Hij maakt ruimtelijke schilderijen en installaties en is daarnaast actief als tentoonstellingsmaker.


Vorige pagina Inhoudopgave Volgende pagina


Comments are closed.