Marcel Cobussen – De andere waarde van kunst


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


De waarde van kunst. Een veel te pretentieuze inzet natuurlijk. Alsof je dat in een paar pagina’s kunt uitleggen of zelfs maar benaderen. Alsof je het überhaupt kunt uitleggen. Maar de urgentie en noodzaak om althans een aanzet te geven tot een opnieuw overdenken van de waarde van kunst dienen zich vrijwel continue aan. Met enige regelmaat duikt namelijk in de media en in allerlei beleidsnotities van diverse overheden de vraag weer op hoeveel de kunst ons waard is. Het gaat daarbij meestal om een economische waardebepaling. Geld is schaars en kan maar één keer worden uitgegeven. Elke euro die we aan kunst besteden, gaat af van geld dat we nodig hebben voor onderwijs, sociale voorzieningen, milieu, terrorismebestrijding, etc. Natuurlijk, dit soort financieel gefundeerde afwegingen zijn het waard bediscussieerd te worden; ze zijn ook noodzakelijk. Maar wanneer we de waarde van kunst proberen af te meten aan haar economische spin off, wanneer we haar trachten te onderwerpen aan een calculeerbare kosten-baten analyse, dan gaan we misschien wel voorbij aan precies dat wat de potentie van kunst zou kunnen zijn: vraagtekens zetten bij calculeerbaarheid, de grenzen tonen van eenzijdige, op rationalistische leest geschoeide denkprocessen, het deconstrueren van duidelijkheid, uniformiteit en universaliteit.

Met andere woorden, ik wil de vraag over de mogelijke waarde van kunst liever niet reduceren tot de vraag of kunst al dan niet overleeft zonder overheidssubsidies. Op de een of andere manier zal er inderdaad nog wel kunst geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd worden, wanneer de overheid zich al dan niet volledig als geldschieter terugtrekt. De vraag is of een samenleving er in intellectueel, cultureel en moreel opzicht goed aan doet de geldkraan op druppelstand te zetten.
Naar mijn idee is een van de belangrijkste potenties van kunst, zowel wat de productie als de receptie betreft, emancipatorisch. Al in 1935 merkte Martin Heidegger in Die Ursprung des Kunstwerkes op (en zijn overpeinzingen hebben een lange traditie) dat het wezen van de kunst er uit bestaat een openheid te creëren voor de ons omringende wereld, een ontvankelijkheid voor de onuitputtelijke verscheidenheid van de werkelijkheid. Kunst laat ons dingen anders zien, anders horen, anders beleven. Kunst plaatst ons onophoudelijk in een nieuwe verhouding tot de werkelijkheid; zij ontsluit nieuwe speelruimtes. Kunst laat je iets beleven dat je voorheen niet of niet op die manier kon beleven. En aan de andere kant –we komen dan in het domein dat door Jean-François Lyotard wordt omschreven als ‘postmodern’– laat kunst ons datgene ervaren wat niet presenteerbaar is, wat verborgen en enigmatisch blijft, wat ontsnapt aan ieder idee van transparantie of duidelijkheid.

Kunst is nauw verbonden met creativiteit; bij de totstandkoming is creativiteit een vereiste, maar ook – vaak tenminste – bij het beleven ervan. ‘Ik begrijp die moderne (abstracte) kunst niet’, is een nog steeds veelgehoorde verzuchting. En inderdaad, haar geheim geeft zij niet zomaar prijs (als ze al geheimen prijsgeeft). Maar gaat het daarom? Gaat het om begrip, om grip, om beheersing, om macht over wat je pad kruist? Het is geenszins mijn bedoeling kunst te willen opsluiten in een soort mythisch of mystiek domein waarover niet gesproken kan en mag worden. Integendeel, ik zou de stelling willen verdedigen dat kunst nu juist die vragen over begrijpen en beheersen mogelijk maakt. Minder stellig dan Heidegger en Lyotard, zou ik willen stellen dat kunst althans het vermogen in zich draagt je te confronteren met je eigen denken, principes en onuitgesproken uitgangspunten. Bestaande denkpatronen, verwachtingen en smaak kunnen worden uitgedaagd en kritisch bevraagd. Daarmee overstijgt kunst vrijwel ogenblikkelijk het strikt esthetische domein. Zij gaat zelden alleen over schoonheid maar stelt ook vragen aangaande politieke, maatschappelijke en ethische standpunten. En soms laat ze je die standpunten net even vanuit een ander perspectief en in de relatief veilige beslotenheid van haar onmiddellijke omgeving opnieuw ijken.
Sommige bedrijven hebben dat goed begrepen. Zij hebben kunstenaars in dienst die met wetenschappelijk personeel samenwerken om nieuwe producten of toepassingen ervan te ontwikkelen. In zijn boek Information Arts: Intersections of Art, Science, and Technology uit 2002 noemt Stephen Wilson de laboratoria van Bell als voorbeeld waar de betrokkenheid van kunstenaars in het onderzoek naar geluid van groot belang is geweest voor de telefonie en electronic voice research. Volgens evolutionair bioloog Stephen J. Gould kunnen kunstenaars wetenschappers confronteren met bepaalde wetenschappelijke vooroordelen, daarmee hun blik verruimen en beter onderzoek mogelijk maken. Kunst laat dus ook zijn sporen na in de wetenschappelijke wereld. Sterker nog, kunst is onderzoek. Zij levert een fundamentele bijdrage aan de totstandkoming van kennis, kennis die niet altijd gegenereerd kan worden via reeds bestaande wetenschappelijke disciplines. Veel kunst levert meer op dan mooie plaatjes en amusante voorstellingen en die meerwaarde is zeker niet te reduceren tot een aardig bijverschijnsel van kunst. Kunst levert een actieve en noodzakelijke bijdrage aan de (kennis)ontwikkeling binnen een maatschappij en die functie kan niet zomaar worden overgenomen door andere instituties. Ook de academische wereld raakt hiervan steeds meer doordrongen: artistic research wordt door steeds meer universiteiten erkend als een relevante bijdrage aan kennisverwerving.

Dat kunst aan kan zetten tot denken, tot reflectie, tot bezinning soms, is geen bijkomende functie van een cultureel veld dat primair gericht zou moeten zijn op een esthetisering van de samenleving. Ik zou eerder voor het omgekeerde opteren. Dat kunst soms ook nog aangenaam is om naar te kijken of luisteren is een welkome bijkomstigheid. Maar kunst kan ons allereerst een spiegel voorhouden, alleen niet louter een spiegel die de werkelijkheid exact reflecteert. Kunst voegt haar specifieke commentaar toe maar op een manier die ruimte geeft voor eigen gedachtenontwikkeling. Daarom gaat het er niet om kunst te begrijpen: begrijpen doodt vaak de uitdaging een kunstwerk opnieuw te ontmoeten.

De vraag is of alomtegenwoordige kunst op zich voldoende is om onze gedachten, meningen en principes van tijd tot tijd een duwtje in een andere richting te geven. Met andere woorden, is het voldoende dat er overal kunst te horen en te zien is? Hoewel kunst steeds interactiever lijkt te worden, blijft naar mijn idee hiermee een fundamentele scheiding onaangetast, de scheiding namelijk tussen productie en receptie. Daarom zou het niet alleen (of niet zozeer) een taak van de overheid moeten zijn de kunstreceptie te stimuleren; zij zou veeleer moeten motiveren (en faciliteren) dat mensen zelf gaan schilderen, dansen, musiceren, acteren, fotograferen, etc. Daarbij komen (lichamelijke) ervaringen vrij die geen deel uit kunnen maken van een wat meer passieve kunstconsumptie. Denken, reflectie en bezinning krijgen dan ook een (noodzakelijke) lichamelijke component. Daarmee krijgt de potentiele waarde van kunst weer een extra dimensie en kan meer dan ooit recht worden gedaan aan Huizinga’s idee van de homo ludens.

Dit essay is een bewerkte versie van een bijdrage die eerder verscheen op de opiniepagina van in De Volkskrant op 12 oktober 2004.

Dr. Marcel Cobussen is docent muziekfilosofie en cultuurtheorie aan de Faculteit der Kunsten van de Universiteit Leiden.


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


Comments are closed.