Ron Klein Breteler – Ruimtekunst


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


Ik ben opgeleid als architect en stedenbouwkundige, met een eigen ontwerpbureau op het gebied van de architectuur, stedenbouwkunde en landschapsarchitectuur. Invalshoek van dit bureau is het streven naar een integrale benadering vanuit deze drie disciplines van ontwerpopgaven op de zeer grote tot de zeer kleine schaalniveaus. Het accent van mijn persoonlijke werk heeft zich meer naar de stedenbouw ontwikkeld. In mijn vrije tijd richt mijn interesse zich op het verzamelen van beeldende kunst binnen een breed scala van technieken.

Ligt hier een relatie tussen, is er een invloed van de abstracte kunst waarin ik als verzamelaar ben geïnteresseerd, op mijn werk en visie op architectuur? Dat is een lastige vraag. Ik betrap mezelf erop daar eigenlijk nooit gestructureerd over te hebben nagedacht. Ik kan dan ook niet anders dan proberen om hier een zeer persoonlijk antwoord op te geven, zonder de pretentie van een brede geldigheid.
Dat antwoord is: niet vanuit beeld, vorm, wel vanuit mentaliteit, wijze van aanpak. En dan nog alleen maar in relatie tot dat deel van de abstracte kunst, dat georiënteerd is op de geometrische abstractie en dan vooral die kunstenaars waarbij een werkwijze vanuit serieel en systematisch onderzoek aan de orde is.

Hoe zou dat dan in elkaar kunnen zitten? Laten we maar even terzijde laten wat abstract is, daar zijn al boekenkasten vol over. Malevich schildert een zwart vierkant rond 1915. Mondriaan schildert zijn eerste abstracte schilderij in 1917. Je zou kunnen zeggen, ten opzichte van op realisme gebaseerde kunstvormen, bedachte kunst. Als dat zo zou zijn zou je dus aan één zwart vierkant genoeg hebben gehad, maar Malevich maakt er meer. En toch allemaal zeer verschillend. En na hem nog vele andere kunstenaars die hun eigen zwarte werk maakten. Die verschillen zijn niet gewoon bedacht maar kunnen alleen komen van kijken, van wikken en wegen met het oog. De kunstenaar kijkt en kijkt en kijkt en reageert daarop met zijn beslissingen vanuit zijn persoonlijke gevoeligheid via het oog. Door geordende en ongeordende elementen te combineren wordt voor de kunstenaar harmonie gecreëerd, niet saai en droog maar poëtisch en expressief, de verbeelding van verstand en gevoel, het contrast van het hoofd en het hart. Bij serieel en thematisch onderzoek, en ik beperk me nu noodzakelijkerwijs maar tot de schilder- en tekenkunst, wordt de kunstenaar door oefening meester in de beperking, die dwingt tot oplettendheid, tot het letten op details, het kijken naar nuance. Op het oog geringe veranderingen betekenen een wereld van verschil. Het werk ontstaat door het te doen, iteratief werkend, niet via ingewikkelde theorievorming en beladen betekenissen, het is wat het is, het schilderij als schilderij, een op zichzelf staand beeld zonder enige verwijzing naar de wereld buiten het schilderij, zonder ook een verwijzing naar de maker, het voorstellingsloze vlakke schilderij. Het raster, in tal van uitvoeringen kan hierbij een middel zijn dat leidt tot een neutrale ahiërarchische wijze van componeren, maar die in mijn persoonlijke appreciatie vanuit de ingezette ordeningsprincipes altijd een weg zoekt naar de onwetmatigheid.

Architectuur is geen kunst maar een kunde, hooguit ruimtekunst. Waar de kunstenaar zijn eigen programma formuleert, voor een werk of voor zijn seriële onderzoek en zelf bepaalt wanneer dit af is, heeft de architect altijd met meerdere programma’s te maken. Dat van zijn opdrachtgever, dat van de plek waar het moet gebeuren en de stedenbouwkundige context, voorschriften en nog veel meer. Natuurlijk heeft hij, net als de kunstenaar, zijn persoonlijke handschrift waarmee hij een opgave aanpakt. Maar architectuur heeft betrekking op ordening van ruimte, om- en ontsluiting van ruimte, de ontwikkeling van ruimtelijke relaties en de materialisatie van ruimtelijke elementen inclusief textuur en kleur. Dat wat je met het oog ziet staat niet op zichzelf. Goede architectuur geeft een vanzelfsprekende samenhang tussen vorm, materiaal en kleur en de ruimtelijke en functionele grondslag. De architect is een gebonden ontwerper, vormgever. Hij ordent vanuit alles wat hem meegegeven wordt, wat hij aantreft en vanuit zijn intellect. En natuurlijk speelt het oog hierbij een grote rol.
En bij dit laatste zit voor mij de relatie. Bij het zeer persoonlijke proces van het als architect grip krijgen op de opgave, het ordenen en het onderzoekend componeren van de bepalende structuur ligt voor mijzelf veel verwantschap met de wijze waarop de kunstenaar, in de context als eerder aangeven, zijn geest en oog inzet.

Voor mij is het niet zinvol om verdere relaties te forceren tussen abstracte kunst en architectuur, het zijn andere werelden zoals bijvoorbeeld de muziek ook een eigen wereld is: de kunstenaar componeert binnen zijn eigen, zelfgekozen medium en ontwikkelt en corrigeert met zijn oog, is meester over zijn zelfgekozen resultaat.
De componist componeert zijn klanken en instrumenten en ontwikkelt en corrigeert met zijn oor, en is eveneens meester over zijn eigen resultaat. Ook hier zien we niet alleen het bedenken, maar het zoeken naar een balans tussen het aanbrengen van geordende structuren en zeg maar ongeordende, niet automatisch uit het geheel voortkomende variaties.
De architect componeert zijn ruimte, vormen en materialen vanuit zijn intellect waarin het door hem beoogde resultaat staat afgetekend, op basis van zijn ervaring en mogelijkheden tot vergelijking met door hem of door anderen gerealiseerd werk. Of het gerealiseerde resultaat daar mee overeen zal komen, is altijd maar de vraag. En corrigeren is niet mogelijk.
Het is niet een verwantschap in discipline maar in de geest van de scheppende mens, die samen met zijn hulpmiddelen (oog, oor, hand) hierin een ratio zoekt.

Zijn er dan geen architect-kunstenaars of kunstenaar-architecten? Ja, natuurlijk, maar in mijn ogen echter zeer weinig al noemen velen zich zo. Theo van Doesburg die als geen ander met zijn geometrische composities streefde naar integratie van schilderkunst en architectuur, heeft samen met Hans Arp en Sophie Taeuber de bekende Aubette in Straatsburg gerealiseerd. Eigenlijk beschouw ik dat als voortreffelijke toegepaste kunst, decoratie met een lelijk woord, en gaat het hierbij nauwelijks om een architectonische ingreep. Zijn huis in Meudon is te beschouwen als architectuur met een duidelijke opvatting over de beoogde relatie tussen architectuur en kleur. Als je de schilderijen van Le Corbusier ziet, weet je waarom een ieder hem als groot architect ziet en niet als kunstenaar. Het blijven voor mij toch geheel verschillende disciplines.

Ir R. Klein Breteler, architect/stedenbouwkundige en oprichter vhp stedebouwkundigen + architekten + landschapsarchitekten BV te Rotterdam.


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


Comments are closed.