Gijs van Beeck Calkoen – Leren innoveren: een abstracte kunst?


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


Veel bedrijven en de overheid hebben het nog niet in de gaten, maar innovatie zit niet in meer onderzoek, meer technologie, nog meer geld, of meer risico nemen. Dat komt pas ná het bedenken van een idee voor innovatie. En ideeën verzinnen is denkwerk. Abstract denkwerk, want een echt innovatief idee is iets wat nog niet bestaat. En meestal zal dan blijken dat de benodigde technologie allang bestaat en het een kwestie is van goed zoeken op het Internet. Bij succesvolle innovaties gaat het nooit om het product zelf. Het succes schuilt altijd in het achterliggende concept. Dat bestaat uit de denkwijze over het nut, het gebruik en de waarde van het product. Abstract dus.
Anderzijds: in een abstract kunstwerk doet de kunstenaar een poging om een abstract begrip te visualiseren. Of iets te creëren wat er nog niet eerder was of een verkenning te doen naar onvermoede, maar wel denkbare mogelijkheden. Maar dat is nu precies wat het creëren van effectieve innovaties in beginsel ook is.

Er is dus een verband tussen abstract denken en een innovatie, maar hoe ziet dat er in werkelijkheid precies uit? En is het mogelijk om het bewust genereren van innovaties te onderwijzen? Zou abstracte kunst hierin een rol kunnen spelen?

Als iedereen hetzelfde product maakt, gaat het alleen nog om wie de beste kwaliteit levert tegen de laagste kosten. Iedereen speelt hetzelfde spel en uiteindelijk worden de winstmarges nul. Zeker met het oog op de opkomende economieën is het verstandig om een ander spel te spelen door iets unieks in de markt te zetten. Niet een product met een piefje of een palletje meer, maar een echte innovatie. Iets wat nieuw is. In plaats van meer-van-hetzelfde zijn er doorbraak ideeën nodig. Daarvoor is het nodig om te abstraheren van de concrete uitingsvormen, eigenschappen, verschijnselen en gedragingen van een product of probleem.

Er is een opmerkelijk verband tussen creatief denken en de historische ontwikkelingen in de kunst, bijvoorbeeld het surrealisme of de abstracte kunst. Globaal gesproken zijn er bij creatief denken drie scholen te onderkennen die een verband hebben met de genoemde kunststromingen.

Een van de meest klassieke methoden voor creatief denken is brainstorming. Hierbij gaat het vooral om vrij, los van remmingen, associëren. Het werd rond de Tweede Wereldoorlog als techniek voor probleemoplossing ontwikkeld door Alex Osborn. In wezen grijpt de techniek terug op de ideeën uit de psychoanalyse van Sigmund Freud aan het begin van de twintigste eeuw. De idee achter brainstorming, en de talloze varianten erop, is dat als je maar het kind in jezelf bevrijdt, ideeën als vanzelf opborrelen. De techniek van het brainstormen doen mij denken aan het surrealisme in de werken van Picasso en Dali.

Een heel andere techniek voor het opzettelijk genereren van ideeën is triz. In de jaren ’50 ontwikkelt Genrich Altshuller triz, een Russisch acroniem voor Theory of Structured Inventions. Door emigratie van veel professioneel opgeleide triz innovators wordt de theorie pas begin 2000 in het Westen bekend. Altshuller onderzocht octrooien en deelde ze in klassen van het achterliggend denken van de uitvinder in. Bij triz gaat het om het vertalen van een concreet probleem naar een omschrijving die geen enkele concrete associatie meer heeft met het oorspronkelijke probleem. Het probleem wordt abstract gemaakt. Vervolgens wordt uit een verzameling abstracte oplossingen –het resultaat van Altshullers studie- er één gekozen. Van hieruit wordt dan weer een vertaling naar een concrete oplossing gemaakt. Deze methode, die wordt ondersteund door een databank van duizenden octrooien, verhindert de neiging om naar voor de hand liggende, vaak minder bevredigende oplossingen te zoeken. De techniek is buitengewoon krachtig, maar wordt nog weinig in het westen toegepast, in tegenstelling tot Aziatische bedrijven. triz lijkt op de kunstvorm van de geometrische abstractie. Ook daarin worden ideeën gepresenteerd in louter zuivere geometrische vormen. Elk verband met de bestaande werkelijkheid is doorgesneden.

Nog een andere techniek van opzettelijke creativiteit is gebaseerd op de gedachte dat het ons brein een zelforganiserend informatieverwerkend systeem is. We nemen informatie in ons geheugen op en organiseren dat in patronen. Die patronen gaan zich gedragen als denkpistes zodat we alleen nog maar dat zien waar we al op voorbereid zijn. Edward de Bono ontwikkelde in de 60-er jaren denktechnieken die op logische wijze de automatisch gevormde denkpatronen destabiliseren. Hij noemt dit lateraal denken – zijwaarts denken – als onderscheid met het normale logisch-rationele denken. Je zou kunnen zeggen dat het laterale denken de trekken heeft van het abstract expressionisme. Ook daar ontregelen vage, verstoorde of uitvergrote vormen de bestaande perceptie en nodigen uit tot nieuwe interpretaties van het bestaande.

Beide laatste methoden, het laterale denken en triz, zijn lastig aan te leren. Het gaat in wezen over de manier waarop wij waarnemen en denken. Hoe aan de dwingende logica van denkpatronen te ontsnappen laat zich helaas alleen uitleggen aan de hand van abstracte begrippen. Begrippen die in vage bewoordingen verwijzen naar denkoperaties, naar hoe te denken, of welke denkstappen achtereenvolgens te nemen.

Abstract denken lijkt dus alleen te kunnen worden onderwezen door gebruik te maken van abstracte begrippen. Maar is er een mogelijkheid om deze paradox te omzeilen? Zoals hierboven geschetst biedt de abstracte kunst intuïtief een oplossing. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat innovatief denken zich het meest praktisch en controleerbaar laat demonstreren door abstracte kunst en het maken daarvan. Rechtstreeks en zonder theoretische omwegen, dat zou pas een ontdekking zijn!

Jan Verhoeven’s ideeën achter het Centrum voor Abstracte Kunst en Innovatie kunnen wel eens doorslaggevend blijken te zijn voor de verdere professionalisering van creatief denken en innovatie. Natuurlijk pas achteraf, zoals dat bij echte innovaties gebruikelijk is. En ook bij kunstwerken.

Drs. G.J. van Beeck Calkoen, Praktijk voor Stoutmoedig Denken was tot 2003 kolonel bij de Koninklijke Marine. Hij voer aan boord van diverse fregatten en was bij de Haagse staf organisatieadviseur en projectmanager. Bij het instituut Defensie Leergangen was hij verantwoordelijk voor de bedrijfskundige vorming van hogere officieren. In 2003 richtte de Praktijk voor Stoutmoedig Denken op (www.stoutmoedigdenken.org) om zijn ervaring met en enthousiasme voor creatief en productief denken te delen.


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


Comments are closed.