Lambert Tegenbosch – Wie is de kunstenaar nu?


Vorige pagina Inhoudopgave Volgende pagina


Vanaf de eerste eeuwen in Griekenland schijnt het er in de kunst om te gaan de werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk weer te geven. Aristoteles verrast ons in zijn Poetika met de mededeling dat het doel van de literaire kunst ‘mimèsis’ is, maar de westerse cultuur heeft met hem altijd vanzelfsprekend gevonden dat nabootsing het doel is van de beeldende kunst. In de Renaissance werd gemeend dat die werkelijkheidssuggestie wetenschappelijk viel af te dwingen.

Dat hele denkbeeld verdampt in de moderne tijd. In de moderne kunst – die begint met het impressionisme – is voor het eerst niet langer de werkelijkheidsweergave, maar de kunst de inzet. Dat is het revolutionaire gehalte van 1870. En rond 1910 was overal in het Westen de Vooruitgang zo ver geschreden dat er gelijktijdig op drie plaatsen – in Petersburg, Parijs en Wenen – een kunst werd bedacht die zònder werkelijkheidsweergave kunst was: ontdekt werd de mogelijkheid van een geheel van imitatie gezuiverde abstracte kunst.
In de moderne kunst is het ene isme op het andere gevolgd als even zoveel pogingen om de pure kunst te realiseren. Kunst als kunst. Kunst omwille van de kunst. Het besef had zich breed gemaakt dat de inhoud van een schilderij niet kon bestaan in zomaar gelijkenis, ook niet in de verhevenheid van het verhaal of om het even welk onderwerp. De inhoud van een kunstwerk is niet zijn onderwerp maar zijn vorm.
De inhoud is kunst.

Dat zulke dingen op meerdere plaatsen tegelijk gebeurden op hetzelfde moment – de uitvinding van de abstracte kunst op tegelijker tijd drie plaatsen en de absolute democratisering van kunst en kunstenaarschap op ettelijke plaatsen op dezelfde tijd – dat bewijst dat de Vooruitgang werkelijk een kwestie was van de Westerse kunst als geheel.

Gesteld dat het voorgaande in hoofdzaak waar is, dringt zich meteen tenminste een vraag op: als het verhaal uit is, zal er dan geen nieuwe kunst meer worden gemaakt? Te verwachten valt dat de productie van kunst gewoon doorgaat. Het verhaal van de Vooruitgang is uit, maar er zal voortgaand worden geschilderd. Arthur Danto zegt het zo: onze geschiedenis van de beeldende kunst is uit; wat daarna geschilderd wordt moeten we benoemen als ‘posthistorische’ kunst.

Juist op dit moment zouden we het moeten wagen onze historische kunst nog een keer te definiëren. Ik ben me bewust van de problemen die zich daarbij aandienen. Laat ik daarom proberen te zeggen waarom we in de westerse kunst de gewoonte hadden een werk een kunstwerk te noemen.
1. Onontbeerlijk voor het kunstwerk is dat het op een of andere manier in zijn bestaan kan worden waargenomen. Een verborgen gedachte is geen kunstwerk. Het werk moet voor de zintuigen waarneembaar zijn. Zijn bestaan moet empirisch worden vastgesteld.
2. Niet alles wat empirisch kan worden vastgesteld, rekenen we tot de kunstwerken. Planten en dieren, wolken, water en wind zijn waarneembaar, maar geen kunstwerken. Het zijn natuurverschijnselen. Een kunstwerk is geen natuurverschijnsel, het is altijd een menselijk maaksel, een artefact.
3. Niet alle artefacten noemen we kunstwerken. Een stoel en een tafel, ofschoon soms vaardig gemaakt of soms gefabriceerd volgens een gerespecteerd ontwerp, noemen we toch geen kunstwerken. Hun doel is immers niet zomaar genot of schoonheid te produceren, maar te voorzien in een behoefte.
4. Kunstwerken hebben als voornaamste kenmerk dat ze mooi zijn. Daarmee drukken we uit dat ze ons genot geven, zo als al wat mooi is dat doet. Maar het kunstmooi is gecompliceerder. Ook wolken en tafels kunnen we wel mooi noemen, waardoor ze iets gemeen hebben met kunstwerken. Het mooi van het kunstwerk is van een rijkere en beslissend verschillende samenstelling. Elk geslaagd stilleven van Coorte of Morandi geeft ons een sensatie van eenvoud, maar het is een verbijsterende eenvoud, want iets absoluut niet eenvoudigs en absoluut niet gewoons. Het vervult ons van een verwonderlijk gevoel en met het stellige vermoeden van een ver reikende betekenis. Het passende antwoord daarop is in eerste instantie zwijgen, eerbiedig, met gevoelens van liefde en ook wel ontzag. Als we het zwijgen doorbreken, is het om een interpretatie te beproeven. En later eventueel nog een andere interpretatie. Het besef dringt zich opdat de betekenis misschien onuitputtelijk is. Tevens dat die betekenis betrekking heeft op een laag van ons bestaan die we voor ons mens zijn fundamenteel achten. Het mooi van een kunstwerk vervult ons met een behoefte aan interpretatie. Het kunstwerk is een bron van betekenis – Natuurlijk is het ook mogelijk en komt het voor, dat we zo’n stilleven niet anders mooi vinden als een stoel. We zijn het er over eens, dat we dan het kunstwerk tekort doen.

Zo ongeveer, meen ik, is het gesteld met het kunstwerk uit ons verhaal, het historisch kunstwerk zoals het werd begrepen binnen dat verhaal.

Als we aannemen dat er in deze posthistorische tijd, de tijd na de kunstgeschiedenis, toch nog kunst gemaakt zal worden, dan dient bij wijze van epiloog het volgende:
Sommige kunstenaars gaan voort in het voetspoor van Duchamp, Warhol, Beuys. En in een mismoedige bui dachten we dat hun werk vooral meligheid opleverde. Maar ondenkbaar is het niet – we hebben al zoveel anti-kunst kunst zien worden – dat ook einde-kunst weer nieuwe kunst voort zal brengen. Denkbaar is dat ergens een kunstenaar zo’n wending aan Duchamp en zijn anti-kunst geeft, dat het toch weer een werk wordt waarin we de wereld opnieuw geopenbaard vinden.- Dat zou dan op dramatische wijze en niet meer op de oude bekende weg van de kunst, toch weer wel oude kunst kunnen zijn. Andere kunst is voorlopig onvoorstelbaar.

De vraag dringt zich op: is de vondst van de abstracte kunst, de geniale vondst van Mondriaan, Kandinsky, Malevich, door ons bewonderd als de bij uitstekmoderne mogelijkheid tot het scheppen van kunst en betekenis, de pure kunst om de kunst, is dat niet ook de snelste weg naar het einde van de kunst gebleken? De abstracte kunst heeft een einde gemaakt aan het westerse ideaal van het almaar voortschrijdende realisme. Ze heeft daardoor werkelijk een nieuwe mogelijkheid voor beeld en verbeelding geschapen. Niemand die dat had willen missen. We hebben ons daardoor in het centrum van de zuivere kunst gevoeld.

Tot slot: Wie is de kunstenaar in onze tijd?
Natuurlijk niet iedereen.
Kunstenaar is die uitzonderlijke figuur die kunst maakt.

Deze tekst is opgebouwd uit citaten van pagina 16, 17, 18, 19, 20, 25, 28 en 29 uit de Beyerdlezing 1999 door Lambert Tegenbosch. De complete tekst is bij hem verkrijgbaar.

Lambert Tegenbosch (Eindhoven, 1926) kreeg vooral bekendheid door de kunstkritieken die hij schreef voor De Volkskrant van 1954 tot 1977. Voor het maandblad Roeping, later Raam, was hij jarenlang redactiesecretaris. In 1977 werd Kunsthandel Lambert Tegenbosch gevestigd in Heusden aan de Maas. Hij schreef de volgende publicaties:
Kans op kunst, een bundeling kunstkritische opstellen verscheen in 1969, Over bekende kunstenaars publiceerde hij diverse monografieën, zoals over Kees Verwey (1974), Charlotte van Pallandt (1977, 1981 en 1988), Gerrit Benner (1986 en 1999), Theo Kuypers (1986, 1991 en 1995), Johan Claassen (1986) en Lucebert tekenaar (2000).


Vorige pagina  Inhoudopgave Volgende pagina


 

Comments are closed.